Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor poging tot begunstiging door het verschaffen van een vals alibi aan een persoon die verdacht was van diefstal met geweld. Het Hof kwalificeerde dit als medeplegen van poging tot het behulpzaam zijn bij het ontkomen aan nasporing door politie en justitie.
De verdediging voerde aan dat de begunstiging niet kon worden aangenomen omdat de betrokkene al was aangehouden op het moment van het afleggen van de valse verklaring, waardoor het alibi geen invloed kon hebben op de nasporing. Het Hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het onderzoek nog gaande was en de valse verklaring het opsporingsonderzoek had kunnen belemmeren.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. Gelet op de wetsgeschiedenis strekt art. 189 Sr Pro ertoe te voorkomen dat politie en justitie worden tegengewerkt bij het opsporen en aanhouden van daders. Omdat de betrokkene reeds was aangehouden en het onderzoek liep, kon geen sprake zijn van begunstiging in de zin van art. 189 Sr Pro.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het subsidiair tenlastegelegde betreft en sprak de verdachte daarvan vrij. Hiermee werd de strafrechtelijke kwalificatie gecorrigeerd en de verdachte ontlast.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van subsidiair tenlastegelegde begunstiging wegens onjuiste kwalificatie.