Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
13 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2014, waarin het toelatingsverzoek tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) werd afgewezen. De rechtbank Midden-Nederland had eerder op 25 november 2013 een vonnis gewezen in deze zaak.
De kern van het geschil betrof de vraag of verzoeker aan de vereisten van goede trouw voldeed zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet (Fw), een voorwaarde voor toelating tot de WSNP. Verzoeker stelde dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden en dat toepassing van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw Pro) gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoeker niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. Het arrest werd op 13 juni 2014 gewezen door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp en Snijders en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het toelatingsverzoek tot de WSNP wegens ontbreken van goede trouw.