Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
13 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de beëindiging van een schuldsanering zonder toekenning van een schone lei centraal. De verzoekster had tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad heeft het geding in feitelijke instanties beoordeeld aan de hand van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Na zorgvuldige overweging concludeerde de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a lid 1 RO en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is op 13 juni 2014 gewezen en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of gegrondheid van de klachten.