Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:1404

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
13/05774
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137a FwArt. 137b FwArt. 137e FwArt. 121 FwArt. 122 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vereenvoudigde afwikkeling faillissement en verzet tegen uitdelingslijst betreffende recht van voorrang

In deze zaak heeft verzoeker een vordering ingediend in het faillissement van een vennootschap, waarbij hij stelde gesubrogeerd te zijn in een fiscaal voorrecht. De rechtbank had op grond van art. 137e Faillissementswet (Fw) het verzet van verzoeker tegen de uitdelingslijst niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker bij de indiening van zijn vordering geen beroep op voorrang had gedaan en dit ook niet eerder had ingeroepen.

De Hoge Raad overweegt dat bij de vereenvoudigde afwikkeling van faillissementen, waarbij geen verificatievergadering plaatsvindt, het verzet tegen de uitdelingslijst wel kan strekken tot het alsnog doen van een beroep op een recht van voorrang. Dit wijkt af van de situatie bij een reguliere verificatievergadering en de eerdere jurisprudentie die daarop betrekking heeft.

De rechtbank heeft ten onrechte de mogelijkheid van verzoeker om bij verzet aanspraak te maken op voorrang ontzegd. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Deze uitspraak verduidelijkt de rechtspositie van schuldeisers bij de vereenvoudigde afwikkeling van faillissementen en bevestigt dat verzet tegen uitdelingslijsten een belangrijk middel blijft om rechten op voorrang alsnog te doen gelden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking die het verzet van verzoeker niet-ontvankelijk verklaarde en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

13 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 13/05774
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Essed,
t e g e n
mr. H.M. EIJKING, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Naarden,
BELANGHEBBENDE in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de curator.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak met het insolventienummer C/13/11/488-F van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2013 en 13 november 2013.
De beschikking van de rechtbank van 13 november 2013 is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 13 november 2013 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoeker] heeft op 9 september 2012 bij de curator in het faillissement van [A] B.V. een vordering ingediend van € 66.760,--. Hij heeft daarbij vermeld dat zijn vordering verband houdt met door of namens hem in privé betaalde belastingschulden van deze vennootschap.
(ii) Bij beschikking van 19 augustus 2013 heeft de (waarnemend) rechter-commissaris op de voet van art. 137a Fw bepaald dat de behandeling van concurrente vorderingen achterwege blijft en dat geen verificatievergadering wordt gehouden.
(iii) Op 9 september 2013 is de (slot)uitdelingslijst in het faillissement van genoemde vennootschap ter griffie neergelegd.
(iv) [verzoeker] is op 19 september 2013 op de voet van art. 137e Fw in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst. Hij heeft kort gezegd aangevoerd dat in de uitdelingslijst ten onrechte geen bedrag is opgenomen voor de betaling van zijn vordering en dat hij, gelet op de hiervoor onder (i) bedoelde betalingen, op grond van art. 57 Invorderingswet Pro 1990 is gesubrogeerd in het in art. 21 van Pro die wet bedoelde voorrecht van de fiscus.
3.2
De rechtbank heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“2.8 (…) De tekst van artikel 137e Fw is vrijwel letterlijk hetzelfde als de tekst van artikel 184 Fw Pro. Dat wijst erop dat de wetgever geen onderscheid in de behandeling van het verzet voor ogen heeft gestaan. Aan de andere kant heeft te gelden dat in de situatie van artikel 137e Fw geen sprake is van een verificatievergadering, zodat ook geen proces-verbaal als bedoeld in artikel 121 Fw Pro wordt opgemaakt, dat kracht van gewijsde krijgt.
Uit [de hiervoor aangehaalde beschikking van 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467] kan wel worden afgeleid dat de Hoge Raad de mogelijkheid om alsnog een beroep op een voorrang te doen heeft willen beperken. Weliswaar is er geen verificatievergadering geweest waarop over de voorrang ten gronde is beslist, maar bij indiening van zijn vordering heeft [verzoeker] ook geen voorrang ingeroepen en ook later heeft hij, tot de indiening van het verzet, geen beroep op voorrang gedaan. In die omstandigheden dient op overeenkomstige wijze als het geval is bij een verzet ex artikel 184 Fw Pro te worden beslist dat een verzet tegen de uitdelingslijst ex artikel 137e Fw er niet toe kan strekken alsnog een beroep te doen op een recht op voorrang, waarop eerder geen beroep is gedaan.”
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het in art. 137e Fw bedoelde verzet niet ertoe kan strekken een beroep te doen op een recht van voorrang waarop niet eerder een beroep is gedaan, en [verzoeker] op die grond niet-ontvankelijk te verklaren. De klacht is terecht voorgesteld.
3.3.2
Ingevolge art. 137e Fw kan een schuldeiser in verzet komen tegen de uitdelingslijst die is opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement (art. 137a-137g Fw). Behoudens omstandigheden waarvan in het onderhavige geval geen sprake is, is bij de vereenvoudigde afwikkeling uitgangspunt dat geen verificatievergadering plaatsvindt. Een schuldeiser heeft dan ook geen mogelijkheid zich ter gelegenheid van zodanige vergadering op een recht van voorrang te beroepen. Evenmin kan een bevoorrechte vordering in een van zodanige vergadering op te maken proces-verbaal met kracht van gewijsde worden erkend of, in geval van betwisting van de voorrang, daarover eerder dan bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst een beslissing van de rechter worden verkregen (vgl. art. 121-122 Fw).
In dit systeem van vereenvoudigde afwikkeling past dat het aan de curator is om na te gaan welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn gedekt door pand, hypotheek of retentierecht, en daarover in geval van geschil in overleg te treden met de desbetreffende schuldeiser (art. 137b Fw).
3.3.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen volgt dat bij de vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement waarin geen verificatievergadering is gehouden, geen sprake is van een situatie die op één lijn kan worden gesteld met die van de door de rechtbank genoemde beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 1998. Voorts vindt de opvatting van de rechtbank dat de schuldeiser die meent een recht van voorrang te hebben, zich daarop bij de indiening van zijn vordering bij de curator moet beroepen, mede gelet op het bepaalde in art. 137b Fw, geen steun in de wet. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte [verzoeker] de mogelijkheid onthouden om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst aanspraak te maken op voorrang, op de grond dat hij van zijn aanspraak op voorrang geen melding heeft gemaakt bij de indiening van zijn vordering.
3.4
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat onderdeel 2 geen behandeling behoeft.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2013;
verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja - van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 juni 2014.