ECLI:NL:HR:2014:1406

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
14/01733
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse beëindiging WSNP

In deze zaak heeft verzoeker cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2014, waarin de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling (WSNP) werd bevestigd. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Oost-Nederland en rechtbank Overijssel die aan het geschil ten grondslag liggen.

De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering, omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad volgt dit standpunt en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de raadsheren Streefkerk, Snijders en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij het beroep.

Uitspraak

13 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01733
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer R 08/13/199 R van de rechtbank Oost-Nederland van 12 maart 2013 en van de rechtbank Overijssel van 7 januari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.140.172 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 juni 2014.