ECLI:NL:HR:2014:1407

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
14/01789
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens schending sollicitatieplicht

Verzoekster was betrokken bij een procedure over de tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege het niet naleven van haar sollicitatieplicht. De rechtbank Den Haag had op 17 januari 2014 een vonnis gewezen en het gerechtshof Den Haag bevestigde dit bij arrest van 27 maart 2014.

Tegen dit arrest stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster geen aanleiding geven tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarmee bleef de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling in stand. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Polak en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door De Groot op 13 juni 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens schending van de sollicitatieplicht.

Uitspraak

13 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01789
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Tamas.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/09/12/903R van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.140.746/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 16 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 juni 2014.