Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006. Na het verstrijken van de termijn voor motivering diende belanghebbende nog een geschrift in, maar de Hoge Raad sloeg dit stuk buiten beschouwing. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarop belanghebbende een conclusie van repliek indiende.
De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens achtte de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 13 juni 2014.