Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1963, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 september 2012. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot vernietiging kon leiden, maar constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan werd ambtshalve besloten tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaar naar elf jaar en elf maanden. Het overige beroep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 21 januari 2014.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en het arrest bevestigt de toepassing van artikel 81 RO Pro in combinatie met het EVRM ten aanzien van de redelijke termijn. De strafvermindering is uitsluitend gebaseerd op de termijnoverschrijding en niet op inhoudelijke gronden van het strafbare feit.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.