Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
17 juni 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor verduistering van diverse goederen, waaronder een steiltang, twee camera's, een laptop en een mobiele telefoon, toebehorende aan de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend van €726,92, waarvan het hof €601,92 toewijst.
De verdachte heeft betwist dat hij schadevergoeding moet betalen, stellende dat hij de goederen aan de benadeelde partij heeft teruggegeven. Hij verzocht het hof om de benadeelde partij als getuige te horen over haar vordering, met name of zij de spullen inmiddels terug had ontvangen.
Het hof wees dit verzoek af omdat de wet (art. 334 Sv Pro) de benadeelde partij niet toestaat om getuigen aan te brengen ter onderbouwing van haar vordering, en het eerlijk proces, met name de equality of arms, verhindert dat de verdachte wel die bevoegdheid krijgt. De Hoge Raad bevestigt deze afwijzing en oordeelt dat het hof niet verplicht was de benadeelde partij zelf te horen ter nadere toelichting van haar vordering. Het beroep van de verdachte wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek om de benadeelde partij als getuige te horen wordt afgewezen.