ECLI:NL:HR:2011:BQ0834
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot horen meegebrachte getuige over vordering benadeelde partij
In deze cassatiezaak stond centraal de vraag of een meegebrachte getuige door de verdediging gehoord mocht worden over de vordering van de benadeelde partij. De verdediging verzocht het hof om een getuige te horen die kon verklaren over afspraken tussen de getuige en het slachtoffer, en over de vordering van de benadeelde partij.
Het hof wees dit verzoek af omdat de getuige niet aanwezig was bij de tenlastegelegde feiten en het verzoek betrekking had op de civiele vordering van de benadeelde partij. Volgens het hof zou het horen van deze getuige het verdedigingsbelang niet schaden. De Hoge Raad bevestigt deze afwijzing en verwijst naar art. 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat de benadeelde partij verbiedt getuigen aan te brengen ter onderbouwing van haar vordering.
De Hoge Raad benadrukt dat het toestaan van getuigen voor de benadeelde partij in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces, met name het gelijkheidsbeginsel (equality of arms) zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro. De wetsgeschiedenis toont dat de wetgever bewust heeft gekozen om deze bevoegdheid niet toe te kennen aan de benadeelde partij, mede om te voorkomen dat het strafproces wordt overschaduwd door de civiele vordering.
Het beroep van verdachte wordt verworpen, waarmee de afwijzing van het verzoek tot het horen van de meegebrachte getuige wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek van de verdediging om een meegebrachte getuige te horen over de vordering van de benadeelde partij is terecht afgewezen.