Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 2 juli 2013, nr. 12/00588, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende was geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000, die na bezwaar door de Inspecteur was verminderd. De Rechtbank te Breda verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof in een eerdere cassatieprocedure en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Dit hof bevestigde opnieuw de uitspraak van de Rechtbank.
Belanghebbende stelde vervolgens opnieuw beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 juni 2014.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.