ECLI:NL:HR:2014:1549

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
14/01910
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 1:254 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake ondertoezichtstelling jeugd

De zaak betreft een cassatieberoep van een moeder tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een ondertoezichtstelling van haar kind. De moeder, woonachtig in Portugal, stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof, maar de Raad voor de Kinderbescherming trad niet op als verweerder in cassatie.

De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de moeder onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde dit advies en stelde vast dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en ongeschiktheid van de klachten voor cassatie.

Uitspraak

27 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01910
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te Portugal,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,
t e g e n
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Midden-Nederland, zetelende te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Raad.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/16/344183 / JE RK 13-1341 van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.134.258 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2 en 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 juni 2014.