ECLI:NL:PHR:2014:487

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
6 juni 2014
Zaaknummer
14/01910
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 1:254 BWArt. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen ondertoezichtstelling minderjarigen

Bij beschikking van 14 januari 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren uit het huwelijk van de moeder en vader, bekrachtigd. De moeder stelde hiertegen beroep in cassatie in.

De moeder voerde twee middelen aan: dat het hof artikel 1:254 lid 1 BW Pro heeft geschonden door de kinderen bloot te stellen aan omgang met de vader, wat kindermishandeling zou zijn, en dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen cassatie kunnen rechtvaardigen en dat tegen de beschikking van de rechtbank geen cassatieberoep openstaat, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.

Het hof had voldoende feiten en omstandigheden overwogen, waaronder de verstarde echtscheidingsstrijd, het gebrek aan samenwerking tussen ouders, het ontbreken van inzicht in de gevolgen voor de kinderen, en het plotselinge vertrek van de moeder met de kinderen naar het buitenland. Dit rechtvaardigde de ondertoezichtstelling. Ook werd bevestigd dat de Nederlandse rechter bevoegd bleef ondanks het verblijf van de kinderen in Portugal.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kinderen wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

Zaak 14/01910
Mr. P. Vlas
Zitting, 23 mei 2014 (bij vervroeging)
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de moeder]
(hierna: de moeder)
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden-Nederland, te Utrecht
(hierna: de Raad)
1. Bij beschikking van 14 januari 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van 13 juni 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd, waarbij [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2006, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna: de minderjarigen) voor de duur van één jaar onder toezicht zijn gesteld. De minderjarigen zijn geboren uit het – inmiddels door echtscheiding ontbonden – huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader). De moeder heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
2. In cassatie voert de moeder twee middelen aan tegen rov. 4.6 van de beschikking van het hof, alsmede tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland. Deze klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland staat geen beroep in cassatie open, zodat het daartegen gerichte cassatieberoep reeds om die reden niet-ontvankelijk is. Voor zover de middelen zijn gericht tegen de beschikking van het hof en aangenomen moet worden dat de middelen voldoen aan de daaraan te stellen eisen, geldt het volgende. Middel I klaagt dat het hof art. 1:254 lid 1 BW Pro heeft geschonden door de kinderen bloot te stellen aan omgang met de vader en daarmee aan kindermishandeling althans dreiging daarvan. Middel II klaagt in de kern genomen dat het hof in strijd heeft gehandeld met het vereiste van een dragende motivering voor de maatregel van ondertoezichtstelling. Beide klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de strenge eisen die door art. 1:254 BW Pro aan de maatregel van ondertoezichtstelling worden gesteld. Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat op grond van de stukken, waaronder in het bijzonder het rapport van de Raad, en uit hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van de minderjarigen rechtvaardigen. Het hof heeft daarbij gewezen op de verstarde echtscheidingsstrijd tussen de ouders, het gebrek aan samenwerking en communicatie tussen de ouders, het ontbreken van inzicht bij de ouders in het effect van hun handelen op de minderjarigen en op de andere ouder, op de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen, op de invloed van ingrijpende gebeurtenissen op de minderjarigen, waaronder het ontbreken van contact met hun vader en op het feit dat de moeder met de minderjarigen abrupt naar het buitenland (Portugal) is vertrokken. Uit al deze omstandigheden heeft het hof geconcludeerd dat de bestaande opvoedingssituatie onvoldoende basisveiligheid voor de kinderen biedt. Het hof heeft zich voorts ervan rekenschap gegeven dat de ondertoezichtstelling, anders dan de moeder heeft gesteld, niet uitsluitend ziet op het tot stand brengen van een omgangsregeling.
3. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de omstandigheid dat de moeder en de minderjarigen thans in Portugal verblijven, geen wijziging brengt in de rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor het nemen van een maatregel inzake ondertoezichtstelling. Ten tijde van het indienen bij de rechtbank van het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling hadden de minderjarigen in Nederland hun gewone verblijfplaats, zodat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Verordening Pro Brussel II-bis bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen. [1] Verandering van de gewone verblijfplaats van de kinderen leidt onder art. 8 lid 1 Verordening Pro Brussel II-bis niet tot onbevoegdheid, zodat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht behoudt (perpetuatio fori). [2]
4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 2210/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEG 2003, L 338/1.
2.Zie o.a. D. van Iterson, Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming, Praktijkreeks IPR, deel 4, 2011, nr. 166; F. Ibili, Groene Serie Personen- en familierecht, Titel 14 IPR, Verordening Brussel II-bis, art. 8, aant. 2.2. Zie ook HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7116, NJ 2012/333, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.3.