Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
27 juni 2014.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake een voorlopige machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
De Officier van Justitie heeft geen verweerschrift ingediend, maar de Procureur-Generaal heeft het standpunt ingenomen dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten beoordeeld en geoordeeld dat betrokkene onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De beschikking van de rechtbank Rotterdam en het cassatierekest zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De uitspraak is gedaan door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp, Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.