Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
1 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafvervolging tegen verdachte wegens vernieling van goederen die mede toebehoren aan zijn echtgenote, met wie hij nog niet van tafel en bed gescheiden was. Het hof had het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard en de verdachte veroordeeld.
De verdediging voerde aan dat vanwege het huwelijk en het gezamenlijke eigendom van de vernielde goederen het OM niet ontvankelijk kon zijn, omdat artikel 353 Sr Pro strafvervolging uitsluit indien de dader de niet-gescheiden echtgenoot is van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel over de ontvankelijkheid van het OM onvoldoende heeft gemotiveerd en dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de ontvankelijkheid en strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige toepassing van artikel 353 Sr Pro bij vervolging van niet-gescheiden echtgenoten.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de ontvankelijkheid van het OM en de strafoplegging betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.