Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel voor het overige
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje, gepleegd in de periode van 24 mei 2010 tot en met 10 februari 2011. De bewezenverklaring steunde op onder meer politieprocessen-verbaal waarin foto's en verklaringen van het slachtoffer werden genoemd.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring omtrent de pleegperiode onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof met de bewijsmiddelen voldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontuchtige handelingen vanaf 24 mei 2010 hebben plaatsgevonden, zodat de klacht faalde.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar (waarvan één jaar voorwaardelijk) met een proeftijd van drie jaar tot een straf van drie jaar en tien maanden, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Er was geen grond voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 1 juli 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en tien maanden, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.