Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, welke door de Advocaat-Generaal zijn beoordeeld. Deze adviseerde dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld. Uit de overwegingen blijkt dat de klachten van de verdachte geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a RO en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 1 juli 2014 door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.