Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens handelen in strijd met artikel 197 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. In cassatie werd aangevoerd dat het hof zich niet had vergewist of de stappen van de terugkeerrichtlijn waren doorlopen, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad bevestigde dat bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 197 Sr Pro de rechter moet nagaan of de terugkeerprocedure conform de terugkeerrichtlijn is gevolgd en dit in de motivering moet verwerken. Aangezien het bestreden arrest deze motivering ontbeerde, werd het arrest vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft.
De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing over de strafoplegging. Het overige cassatieberoep werd verworpen. Hiermee benadrukt de Hoge Raad het belang van een zorgvuldige toetsing van de terugkeerprocedure bij strafoplegging in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.