Conclusie
[verdachte]
Verweren van de verdediging
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken wegens verblijf in Nederland terwijl hij als ongewenst vreemdeling was verklaard. De verdediging stelde dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de bezwaarprocedure en voorlopige voorziening mocht afwachten en dat hij door een bevel van de rechter-commissaris verplicht was in Nederland te blijven.
Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de voorlopige voorziening pas na het ten laste gelegde tijdstip was toegewezen en dat de strafbaarheid van het verblijf daardoor niet werd opgeheven. Ook het bevel tot medebrenging voor getuigenverhoor werd niet als strafuitsluitingsgrond erkend. De verdachte was volgens het hof op de hoogte van zijn ongewenstverklaarde status en de verplichting Nederland te verlaten.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op grond van artikel 197 Sr Pro zich had moeten vergewissen dat de stappen van de terugkeerprocedure, zoals voorgeschreven in de Europese terugkeerrichtlijn, waren doorlopen. Het hof had dit niet vastgesteld noch gemotiveerd, waardoor de strafoplegging onvoldoende was gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Hiermee benadrukt de Hoge Raad het belang van naleving van de terugkeerrichtlijn bij strafoplegging wegens illegaal verblijf van ongewenst verklaarde vreemdelingen.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak werd terugverwezen voor nieuwe berechting.