Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd bij vonnis van de Politierechter veroordeeld en stelde hoger beroep in na de wettelijke termijn van veertien dagen. Hij voerde aan dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en geen vertaling van de dagvaarding ontving, waardoor zijn recht op een eerlijk proces werd geschonden.
Het hof oordeelde echter dat de verdachte voldoende Nederlands sprak om te begrijpen dat hij was gedagvaard en dat hij zich door zijn Nederlands sprekende echtgenote had kunnen laten informeren. Daarom was de overschrijding van de termijn niet verontschuldigbaar en werd hij niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat de termijn van veertien dagen strikt is en alleen bij bijzondere omstandigheden kan worden overschreden. Het beroep van de verdachte werd verworpen en hij bleef niet-ontvankelijk in hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de termijn.