Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 12 december 2012, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage werd behandeld. De zaak betrof de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004, inclusief een boetebeschikking.
De Hoge Raad ontving het beroepschrift en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, evenals een conclusie van repliek van belanghebbende. De Advocaat-Generaal bracht op 28 november 2013 een conclusie uit waarin hij het cassatieberoep ongegrond verklaarde.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Koopman en van Kalmthout, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Cichowski, op 31 januari 2014.