Uitspraak
gevestigd te Schiphol Rijk,
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
11 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft Chipshol VII B.V. cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof dat de Staat der Nederlanden in het gelijk stelde in een geschil over onteigeningsrecht en de vermeende misbruik van recht bij de keuze van een tracé.
De kern van het geschil betrof de vraag of het gekozen tracé onteigening van percelen van een partij die met de Staat gelieerd is, voorkwam en of dit misbruik van recht opleverde. De rechtbank Noord-Holland had eerder een vonnis gewezen dat aan dit arrest gehecht is.
De Hoge Raad overwoog dat de klachten van Chipshol niet tot cassatie konden leiden en dat gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de Raad van State geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.
Het beroep werd daarom verworpen en Chipshol werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Chipshol wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.