Belanghebbende, opgericht in 2007 en onderdeel van een fiscale eenheid, voerde een complexe financieringsstructuur uit waarbij aandelenkapitaal werd verstrekt aan dochtervennootschappen. De Inspecteur corrigeerde de vennootschapsbelastingaanslag over 2007 door de kapitaalverstrekking als geldlening te kwalificeren, wat door rechtbank en hof werd bevestigd. Het hof oordeelde dat de constructie feitelijk een lening betrof vanwege de terugvorderbaarheid en vaste vergoeding.
In cassatie stelde de Hoge Raad dat de civielrechtelijke kwalificatie van de geldverstrekking als aandelenkapitaal leidend is voor de fiscale behandeling, ook als de kapitaalverstrekking kenmerken van een lening vertoont. De Hoge Raad verwierp het hofsoordeel dat de constructie fraus legis zou zijn, benadrukkend dat belastingplichtigen keuzevrijheid hebben in financieringsvormen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en stelde het verlies van belanghebbende vast op € 99.438, waarna de aanslag werd verminderd tot nihil. Tevens werden proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen. Hiermee werd bevestigd dat risicodragend kapitaal fiscaal niet als lening mag worden aangemerkt, ook niet bij terugvorderbare kapitaalverschaffingen.