ECLI:NL:HR:2014:192

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
28 januari 2014
Zaaknummer
13/00658
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak zonder rechtsgevolg

De zaak betreft een jeugdige verdachte die in cassatie ging tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door mr. J. Biemond. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Ambtshalve beoordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Desondanks ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden, gelet op de aard van de opgelegde maatregel: een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een proeftijd van twee jaren. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het bestreden arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks ambtshalve constatering van overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.

Uitspraak

28 januari 2014
Strafkamer
nr. 13/00658 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 april 2012, nummer 22/005717-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Een aanvulling op de schriftuur is eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. De Hoge Raad kan op dit geschrift geen acht slaan.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde maatregel van voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een proeftijd van twee jaren is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2014.