ECLI:NL:HR:2014:2143

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 augustus 2014
Publicatiedatum
31 juli 2014
Zaaknummer
14/00278
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing inzake winst uit onderneming en aanslag inkomstenbelasting 2008

Belanghebbende had een eenmanszaak ingeschreven onder de handelsnaam "[A]" en gaf in de aangifte inkomstenbelasting 2008 een belastbare winst uit onderneming op. De inspecteur weigerde het ondernemerschap te erkennen en kwalificeerde de inkomsten als overige werkzaamheden, waardoor de winst werd gecorrigeerd.

Het hof oordeelde dat belanghebbende geen inkomsten had verworven met de activiteiten en dat er geen bron van inkomen was, ondanks de vele uren en het naar buiten treden van [A]. Het hof stelde daarom de aanslag 2008 lager vast door een bedrag van €18.270 buiten aanmerking te laten.

De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zonder nadere motivering onverenigbaar had geoordeeld dat er geen inkomsten waren, maar toch geldstromen buiten aanmerking liet. Dit oordeel was onbegrijpelijk, waardoor het arrest niet in stand kon blijven.

De Hoge Raad verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, het beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigde het hofarrest voor zover het 2008 betreft en verwees de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Proceskosten werden niet aan een partij opgelegd.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor 2008 en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling.

Uitspraak

8 augustus 2014
nr. 14/00278
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 11 december 2013, nrs. BK-12/00739, 12/00740 en 12/00741, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 12/4848, AWB 12/4856 en AWB 12/4954) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2008 en 2009 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.
Belanghebbende heeft op 1 juli 2006 een eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van koophandel met de handelsnaam "[A]". Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 2008 een bedrag van -/- € 5561 (= € 18.270 (winst) /- € 13.317 (kosten) -/- € 11.131 (ondernemersaftrek) + € 617 (MKB-winstvrijstelling)) als belastbare winst uit onderneming opgenomen. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 10 juni 2011 onder meer laten weten belanghebbendes ondernemerschap niet te kunnen beoordelen, en om die reden de door belanghebbende als winst uit onderneming aangegeven inkomsten aan te merken als inkomsten uit overige werkzaamheden zonder aftrek van kosten. Op basis hiervan heeft de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag de aangifte van belanghebbende met betrekking tot de aangegeven winst uit onderneming met € 23.831 (= € 5561 + € 18.270) gecorrigeerd.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht niet als ondernemer heeft aangemerkt en of de aanslag 2008 niet te hoog is vastgesteld.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met activiteiten voor [A] in de jaren 2008 en 2009 noch in de jaren ervoor inkomsten heeft verworven, dat niet kan worden gezegd dat met die activiteiten redelijkerwijs voordeel te verwachten was en derhalve niet kan worden gesproken van een bron van inkomen. Daaraan doet niet af dat belanghebbende vele uren heeft besteed aan activiteiten voor [A] en evenmin dat [A] naar buiten is getreden.
2.3.2.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het hiervoor overwogene tot de conclusie leidt dat de aanslag 2008, waarbij de geldstromen ter zake van [A] niet buiten aanmerking zijn gelaten, dient te worden verminderd met € 18.270.

3.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

3.1.
Het middel komt op tegen ’s Hofs hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel.
3.2.
Het middel slaagt. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende in het jaar 2008 geen inkomsten heeft verworven met activiteiten voor [A]. Hiermee is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onverenigbaar het oordeel dat de geldstromen in 2008 ten bedrage van € 18.270 buiten aanmerking moeten worden gelaten, aan welke oordeel kennelijk ten grondslag ligt het uitgangspunt dat deze geldstromen aan activiteiten voor [A] moet worden toegerekend. Dit oordeel is daarom onbegrijpelijk.
3.3.
Gelet op het hiervoor in 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch alleen voor zover deze betrekking heeft op het jaar 2008, alsmede de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.