Belanghebbende was houder van een personenauto waarvoor motorrijtuigenbelasting verschuldigd was. De auto was geschorst vanaf 31 maart 2009, waardoor geen belasting hoefde te worden betaald. Op 4 juni 2010 legde de Inspecteur een naheffingsaanslag op wegens weggebruik op 12 maart 2010, maar deze aanslag werd op 5 november 2010 vernietigd vanwege twijfel over de juistheid van de informatie.
Later, op 24 december 2010, werd een tweede naheffingsaanslag opgelegd wegens weggebruik op 23 april 2010. Ten tijde van de vernietiging van de eerste aanslag was de Inspecteur reeds op de hoogte van deze constatering. Het hof oordeelde dat de eerste aanslag in stand had moeten blijven en vernietigde de tweede naheffingsaanslag omdat deze over hetzelfde tijdvak werd opgelegd.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het opleggen van een tweede naheffingsaanslag op grond van een andere constatering over hetzelfde tijdvak niet is uitgesloten door de wet. De uitspraak van het hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting en werd vernietigd. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond, vernietigde de eerdere uitspraken en verklaarde het beroep bij de rechtbank ongegrond.