Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het derde middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 13 december 2009 illegaal verbleef in Nederland terwijl zij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Het hof had een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr. De verdediging voerde aan dat de strafoplegging in strijd was met Richtlijn 2008/115/EG (de terugkeerrichtlijn), omdat de terugkeerprocedure nog niet volledig was doorlopen en er een geldige reden was om niet terug te keren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de terugkeerrichtlijn niet van toepassing was omdat het ten laste gelegde feit vóór de implementatiedatum van de richtlijn was gepleegd. De Hoge Raad benadrukt dat de terugkeerrichtlijn vanaf 24 december 2010 rechtstreeks toepasselijk is en dat de strafoplegging in overeenstemming met deze richtlijn moet zijn.
De Hoge Raad stelt dat de strafoplegging in strijd is met de terugkeerrichtlijn indien de stappen van de terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen. De rechter moet zich ervan vergewissen dat deze procedure is gevolgd en dit in de motivering vermelden. Omdat het hof dit niet heeft gedaan, kan de strafoplegging niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens het niet verifiëren van het doorlopen van de terugkeerprocedure en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.