Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
26 augustus 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De advocaat van de verdachte heeft een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft echter geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft het advies van de Advocaat-Generaal gevolgd en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a RO en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken in het openbaar door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.