‘Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte het eerste schot uit noodweer heeft gelost, nu de verdachte onverwacht werd geconfronteerd met het slachtoffer, dat met een koksmes op hem afkwam. De raadsvrouw concludeert tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Het hof stelt voorop dat de stelling van de verdediging, dat aan de verdachte, ook wanneer enkel de verklaring van de verdachte daarvoor een aanknopingspunt biedt, een beroep op noodweer niet kan worden onthouden - wat er zij van de juistheid van deze stelling - de verdachte niet ontslaat van de plicht de beweerdelijke aanranding aannemelijk te maken.
Bij het beoordelen van het beroep op noodweer zijn naar het oordeel van het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Uit de verklaringen van de verdachte en getuige [betrokkene 1] blijkt dat er eerder die dag bij de woning waar de verdachte verbleef een ontmoeting is geweest tussen de verdachte enerzijds en de getuige [betrokkene 1] en het latere slachtoffer [slachtoffer] anderzijds. Bij die ontmoeting zijn bedreigingen geuit, waarbij blijkens de verklaring van [betrokkene 1] ook de verdachte zich dreigend heeft opgesteld. Zo verklaart [betrokkene 1] zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris dat hij het geluid van het doorladen van een pistool (van de kant van de verdachte) heeft gehoord.
De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat het latere slachtoffer en getuige [betrokkene 1] waren weggegaan, heeft gewacht, hij rustiger werd, is gaan kijken of ze weg waren en toen de woning heeft verlaten (dossierpagina A1-42). Ter terechtzitting in hoger beroep (proces-verbaal van 20 september 2012, pagina 4) heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat hij (het hof begrijpt: slachtoffer [slachtoffer]) er niet meer was en dat hij weg wilde uit de buurt. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte op dat moment zich kennelijk zo veilig voelde dat hij de straat op durfde te gaan en niet in de relatief veilige omgeving van de woning de komst van zijn broer [betrokkene 2] en/of zijn vriend [betrokkene 3] af wilde wachten.
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van het beroep op noodweer gesteld dat de verklaring van de verdachte dat het latere slachtoffer [slachtoffer] de aanval heeft ingezet, met in zijn hand een groot koksmes, als aannemelijk uitgangspunt mag dienen.
Het hof deelt deze visie van de raadsvrouw niet, op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat op basis van de verklaring van getuige [betrokkene 1] niet kan worden vastgesteld dat het slachtoffer bij het verlaten van zijn woning het later op de plaats delict aangetroffen koksmes van huis heeft meegenomen. De getuige [betrokkene 1] heeft immers weliswaar verklaard dat hij het slachtoffer met een mes in de keuken heeft gezien, maar hij heeft niet gezien of het slachtoffer een mes mee naar buiten heeft genomen (verklaring bij de politie op 12 mei 2012, dossierpagina B-60 en de verklaring bij de rechter-commissaris te Amsterdam, op 1 december 2012). De suggestie van de raadsvrouw dat het op straat aangetroffen mes van hetzelfde merk was als de messen in de woning van het slachtoffer vindt nergens steun in het dossier. Ook uit de verklaring van de getuige [betrokkene 5] (dossierpagina B-43 e.v.) blijkt niet dat het mes dat op de plaats delict is aangetroffen, uit de woning van het slachtoffer afkomstig was.
Behalve de verklaring van de verdachte bevat het dossier derhalve geen concrete gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het slachtoffer het koksmes bij zich droeg.
Maar ook als het hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat het slachtoffer het koksmes wel bij zich droeg, komt de verdachte naar het oordeel van het hof geen beroep op noodweer toe, aangezien niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer dat mes heeft getrokken en met dat mes in de hand op de verdachte is afgekomen. Buiten de verklaring van de verdachte bevat het dossier daarvoor geen aanwijzingen.
De getuige [betrokkene 4] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet heeft gezien dat de verdachte het eerste schot heeft gelost en dat hij evenmin heeft gezien wat er zich direct voorafgaand aan het eerste schot heeft afgespeeld. De getuige heeft verklaard dat de verdachte is komen aanlopen vanaf de overkant van de Krugerstraat en dat hij ter hoogte van de apotheek is overgestoken in de richting van de straathoek waar het incident heeft plaatsgevonden. De getuige [betrokkene 4] heeft met nadruk verklaard dat hij het latere slachtoffer (al die tijd) op de hoek voor de apotheek heeft zien staan, op de plaats waar hij later op de grond lag. Hij heeft niet gezien dat het slachtoffer een mes had.
De verdediging heeft verklaard dat zij de verklaring van [betrokkene 4], zoals afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2013, betrouwbaar acht.
ln zijn verklaring bij de politie (dossierpagina A1-49) heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer [slachtoffer] meteen om de hoek stond. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 januari 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij de straat (het hof begrijpt: de Krugerstraat) uitliep, maar niet eens de hoek om kwam. Hij zag [slachtoffer] gelijk om de hoek van de apotheek staan op de hoek van de Krugerstraat. Deze verklaringen komen overeen met de verklaring van getuige [betrokkene 4] in hoger beroep.
Niet eerder dan ter terechtzitting in hoger beroep op 20 september 2012 heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer vanaf de plaats waar op foto's van de plaats delict (achter dossierpagina A1-206 gevoegd, aangemerkt als 'Bijlage behorende bij PV bevindingen 6/5/11, p. C I') een tegen de gevel (het hof begrijpt: enkele meters vanaf de hoek met de Krugerstraat) staande fiets te zien is, op de verdachte is afgelopen.
Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat het slachtoffer - zoals de verdachte heeft aangenomen – de verdachte op de bewuste straathoek heeft opgewacht. Dat dit wel het geval zou zijn geweest is temeer onwaarschijnlijk, nu het slachtoffer niet alleen niet kan hebben geweten dat de verdachte juist daar langs zou komen, maar zelfs niet of de verdachte überhaupt zijn woning zou verlaten. Voor beide personen - zowel de verdachte als het slachtoffer - moet het een onverwachte ontmoeting zijn geweest.
Opvallend in dit verband is dat de getuige [betrokkene 7] (politieverklaring van 2 mei 201 1, dossierpagina B-35&36, en verklaring bij de rechter-commissaris in de rechtbank te Amsterdam op 7 oktober 2011) wel verklaart dat hij heeft gezien dat de verdachte het mes in de hand heeft op het moment dat het slachtoffer al op de grond ligt en dat de verdachte daarna nog twee keer op het slachtoffer schiet, maar niet verklaart dat hij heeft gezien dat de verdachte het mes van het slachtoffer afpakte. De getuige [betrokkene 4] (verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2013) verklaart dat hij het mes pas zag op het moment dat de verdachte het mes weggooit. Hij heeft wel gezien dat de verdachte in een licht gebogen houding over het slachtoffer staat als de verdachte tweemaal een schietbeweging maakt richting de grond (waar het slachtoffer ligt), maar geen bukkende beweging alsof er iets werd gepakt.
Niet duidelijk is geworden op welk moment de verdachte - in zijn versie van het gebeuren - het mes van het slachtoffer zou hebben afgepakt. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de verklaring van [betrokkene 4] en de eerdere verklaringen van de verdachte, niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer [slachtoffer] op de verdachte is afgelopen, noch dat hij met een mes in de hand de aanval heeft ingezet. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het slachtoffer, staande op de hoek Krugerstraat /Krugerplein zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, die op de Krugerstraat liep.
Door de raadsvrouw is verder nog gewezen op het feit dat de verdachte, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina A1-5) meteen heeft gezegd dat hij geen keus had en dat het: “hij of ik” was.
Het hof overweegt te dien aanzien dat daartegenover staat de verklaring van getuige [betrokkene 6] (dossierpagina B-5) dat zij heeft gehoord dat de man (het hof begrijpt: de verdachte) in de telefoon zei: “het is geklaard” of “ik heb het geklaard” en dat het gegeven dat de verdachte meteen na de schietpartij heeft gebeld steun vindt in de telefoongegevens van verdachte (dossierpagina R-24).
Tenslotte heeft de raadsvrouw in dit verband nog aangevoerd dat het feit dat de verdachte lijdt aan PTSS (posttraumatische stressstoornis) - onlosmakelijk deel moet uitmaken van de validiteit van het verweer. Het hof merkt op dat de deskundigen Ladee en Van Willigenburg, zo blijkt uit de pro justitia rapportage van 27 februari 2013, de verdachte op grond van deze stoornis slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar achten. De deskundigen hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de stoornis slechts in beperkte mate invloed heeft op het handelen van de verdachte. Blijkens het rapport werd verdachte's vermogen om keuzes en afwegingen te maken, impulsen, behoeftes en verlangens te reguleren en te controleren en te kiezen voor maatschappelijk acceptabele gedragsalternatieven, ten tijde van het ten laste gelegde slechts in beperkte mate aangetast door de geconstateerde PTSS.
Dat deze keuzemogelijkheden van de verdachte door de PTSS enigszins werden beperkt, is een factor die meeweegt bij de oplegging van de straf, maar niet bij de vraag of sprake was van noodweer.
Op basis van het dossier is naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen, noch van onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De enkele vrees van de verdachte dat het slachtoffer hem zou aanvallen levert immers - ook als de voorgeschiedenis die de verdachte heeft geschetst in aanmerking wordt genomen - nog geen onmiddellijk dreigend gevaar voor die aanranding op.
Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.’