ECLI:NL:HR:2014:251

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2014
Publicatiedatum
6 februari 2014
Zaaknummer
12/05444
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkstelling op grond van Invorderingswet 1990

Belanghebbende werd door de ontvanger aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 voor naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2004 tot en met 2006. Na bezwaar en een uitspraak van de ontvanger die de beschikking handhaafde, werd het beroep bij de rechtbank 's-Gravenhage ongegrond verklaard. Het hof bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan tegen de uitspraak van het hof. De staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Daarnaast wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en raadsheren Van Vliet en Punt, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkstelling.

Uitspraak

7 februari 2014
Nr. 12/05444
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 3 oktober 2012, nr. BK-12/00147, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.

1.Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 23 december 2010 op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor aan de [A] B.V. opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2004 tot en met 2006, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger is gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 11/6969) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2014.