Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte heeft echter geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de bij wet gestelde termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het ontbreken van schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit volgt uit het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het beroep.
De Hoge Raad heeft daarom de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 16 september 2014.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.