ECLI:NL:PHR:2014:1539

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
27 augustus 2014
Zaaknummer
12/01257
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet op de GeneesmiddelenvoorzieningArt. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen schriftuur houdende middelen

De verdachte werd door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voor medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift uit de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en doen plegen van valsheid in geschrift.

De verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Na aanzegging ex artikel 435, lid 1, Sv werd een termijn van twee maanden gesteld voor het indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie. Deze termijn verstreek op 18 november 2013 zonder dat de verdachte binnen die termijn schriftuur houdende middelen indiende.

Gelet hierop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen. De conclusie van de procureur-generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen.

Conclusie

Nr. 12/01257 E
Zitting: 10 juni 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde
“medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd”en ter zake van het onder 6, eerste cumulatief bewezenverklaarde
“doen plegen van valsheid in geschrift,”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 13/04398 E, 13/04334 E, 13/04394 E en 13/04396 E. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.
3. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld.
4. De aanzegging ex artikel 435, lid 1, Sv is op 17 september 2013 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 18 november 2013. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG