ECLI:NL:HR:2014:2696

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2014
Publicatiedatum
18 september 2014
Zaaknummer
13/06088
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15, lid 1, letter q, Wet BRV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing op verharde parkeerplaats en ondergrond schuur

Belanghebbende verkreeg in 2008 een perceel tuinland met glasopstanden, waaronder een verharde parkeerplaats en de ondergrond van een schuur. Het geschil betrof de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling op deze gedeelten van het perceel.

Het Hof had geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV van toepassing was omdat deze gedeelten bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw werden geëxploiteerd. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad overwoog dat cultuurgrond volgens de wet en parlementaire geschiedenis grond is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw, inclusief ondergrond van glasopstanden. Een verharde parkeerplaats en de ondergrond van een schuur vallen hier niet onder. Opstallen en ondergrond worden als één geheel beschouwd, en aangezien de schuur geen glasopstand is, kan de ondergrond daarvan niet onder de vrijstelling vallen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank dat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is op de verharde parkeerplaats en de ondergrond van de schuur. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is op de verharde parkeerplaats en de ondergrond van de schuur.

Uitspraak

19 september 2014
nr. 13/06088
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 8 november 2013, nr. BK-12/00497, op het hoger beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank (nr. AWB 11/9725) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Op 15 oktober 2008 heeft belanghebbende een perceel tuinland met glasopstanden verkregen.
2.1.2.
Dit perceel bestaat uit onder meer een erf van 270 m2, dat als verharde parkeerplaats in gebruik is, en uit de ondergrond van een schuur met een oppervlakte van 540 m2.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of de in artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) opgenomen vrijstelling (hierna: de cultuurgrondvrijstelling) op de in onderdeel 2.1.2. genoemde gedeelten van het perceel van toepassing is.
2.3.
Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het heeft daarvoor beslissend geacht dat de in geschil zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
2.4.1.
De cultuurgrondvrijstelling kan worden toegepast ter zake van de verkrijging van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de ondergrond van glasopstanden.
2.4.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV, zoals dat in 2008 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, p. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever is een verharde parkeerplaats niet aan te merken als cultuurgrond in de zin van voormelde bepaling.
Ook ten aanzien van de ondergrond van de schuur kan de cultuurgrondvrijstelling geen toepassing vinden. Zoals reeds in het arrest van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, is beslist, moeten voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden beschouwd. Met de wijzigingen ingevolge de Wet werken aan winst, die door het Hof worden aangehaald, is niet beoogd hierin een verandering aan te brengen. Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de schuur niet een glasopstand is, kan de ondergrond van de schuur niet delen in de vrijstelling, omdat ook die grond niet is bestemd voor veeteelt, akker-, weide, tuin- of bosbouw en derhalve niet is aan te merken als cultuurgrond.
De omstandigheid dat de in geding zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd is voor toepassing van de vrijstelling niet voldoende, aangezien daarvoor tevens vereist is dat sprake is van cultuurgrond.
2.4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2014.