Uitspraak
Siebrand B.V.te
Kampen(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 2 november 2012, nr. 09/00620, betreffende naheffingsaanslagen in de accijns.
Hoge Raad
Belanghebbende, Siebrand B.V., kreeg naheffingsaanslagen accijns opgelegd over juli 2003 tot februari 2004, welke na bezwaar en beroep door verschillende instanties werden gehandhaafd en verminderd. De zaak kwam uiteindelijk bij de Hoge Raad in cassatie.
De kern van het geschil betrof de juiste tariefindeling van alcoholhoudende dranken in de Gecombineerde Nomenclatuur (post 2206 of 2208), waarbij het wezenlijke karakter van de drank en de organoleptische eigenschappen centraal stonden. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuiste rechtsopvattingen had over de bewijslast en wijze van bewijslevering omtrent deze eigenschappen.
De Hoge Raad stelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat alleen de organoleptische eigenschappen het wezenlijke karakter bepalen en dat het Hof onterecht de bewijslast deels bij belanghebbende had gelegd. Tevens was het oordeel dat de Inspecteur niets aannemelijk had gemaakt onbegrijpelijk, gezien de door de Inspecteur aangedragen aanwijzingen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het Hof onterecht stukken buiten beschouwing had gelaten met betrekking tot de overgangstermijn en dat het Hof de zaak moet terugverwijzen voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de juiste rechtsopvattingen.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en bepaalde dat de Staat het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling van de accijnstariefindeling van de alcoholhoudende dranken.