Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 september 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter, de middelen van cassatie zijn niet door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn bij de Hoge Raad ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
De Hoge Raad beoordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd. Hierdoor kon de verdachte niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaarde de verdachte dan ook niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 23 september 2014.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.