Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1980, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 maart 2013 in een strafzaak. Namens de verdachte diende mr. E. de Witte middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsvrouwe schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom werd het beroep verworpen. Het arrest werd gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 16 september 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen.