Conclusie
tweede en derde middelklagen over de bewezenverklaring en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik destilleer hieruit de volgende klachten.
Plaats delict: Besterdring 235, 5014 HK Tilburg
geboren te [geboorteplaats] op [...]-[...]-1980
wonende [a-straat 1]
[...] te [plaats]
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1980
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Adres: [a-straat 1]
Postcode en plaats: [...] [plaats]
vierde middelwordt geklaagd dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de geclausuleerde uitlating van verdachte dat hij “desnoods” het gebouw zou opblazen niet zonder meer voldoende is om de redelijke vrees op te wekken dat een misdrijf zou worden gepleegd waardoor [betrokkene 1] het leven zou kunnen verliezen.
eerste middelklaagt dat de opgelegde straf onvoldoende is gemotiveerd en verbazing wekt in het licht van de strafoplegging in eerste aanleg en de strafeis van de advocaat-generaal. Aangevoerd wordt dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf als een complete verrassing zal zijn gekomen omdat deze strafmodaliteit niet is besproken tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep. Bovendien is zonder nadere motivering niet begrijpelijk om welke reden de justitiële documentatie van verdachte aanleiding is geweest voor oplegging van een opvallend hogere straf.
vijfde middelklaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 21 maart 2013 en de stukken van het geding zijn op 23 oktober 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.