Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Emmen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van eiser tegen het Scheper Ziekenhuis wegens vergoeding van redelijke kosten die hij maakte voor rechtsbijstand bij het vaststellen van schade en aansprakelijkheid na het overlijden van zijn echtgenote door medische fouten. Eiser had met een rechtsbijstandverlener een no-cure-no-pay overeenkomst gesloten waarbij 15% van de schadevergoeding als honorarium werd afgesproken.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten niet gebaseerd kon worden op het overeengekomen percentage, maar op een redelijke berekening van het aantal gewerkte uren tegen een passend uurtarief. Het hof verwierp het standpunt van eiser dat het honorarium uit de overeenkomst maatgevend was voor de vergoeding door het ziekenhuis.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. De Hoge Raad stelde dat de redelijke kosten op grond van art. 6:96 lid 2 BW Pro moeten worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij ook de gemaakte afspraken kunnen worden betrokken, maar dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het honorarium uit de no-cure-no-pay overeenkomst niet redelijk zou zijn. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beoordeling.
De Hoge Raad veroordeelde het ziekenhuis tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.