Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het vierde middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beoordeling van het vijfde middel
6.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van ongeregistreerde geneesmiddelen in Nederland. De verdediging verzocht het hof om een medeverdachte opnieuw als getuige op te roepen, wat werd afgewezen omdat het onaannemelijk was dat deze binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zou afleggen. Tevens werd een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie afgewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft gehandeld bij de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte als getuige te horen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het verschoningsrecht van de medeverdachte en diens niet verschijnen het verzoek nutteloos maakten. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat het nationale verbod op invoer van ongeregistreerde geneesmiddelen niet in strijd is met het EG-verdrag, omdat het gerechtvaardigd is ter bescherming van de volksgezondheid.
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk en wijst het cassatieberoep af. Wel erkent de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolgen gezien de aard van de opgelegde straf en de overschrijding.
Het arrest is gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 16 september 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof handelde correct bij afwijzing van verzoeken om getuige te horen en prejudiciële vragen te stellen.