Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14c lid 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank Limburg had het verzoek afgewezen in haar beschikking van 9 april 2014. Betrokkene stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de beschikking van de rechtbank voor het verloop van het geding in feitelijke instantie en neemt kennis van het cassatierekest en de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het beroep strekt. De advocaat van betrokkene reageerde op deze conclusie.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging.