Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
pro formabereidverklaring behoeft de rechter dus geen genoegen te nemen. Anderzijds gaat de wet niet zo ver, dat steeds een uitdrukkelijke (schriftelijke) bereidverklaring van de patiënt wordt verlangd. De wetgever heeft destijds een ‘informed consent’ voor ogen gehad. Verklaringen kunnen in iedere vorm geschieden en kunnen in een of meer gedragingen besloten liggen [8] . De vaststelling of in een concreet geval een patiënt zich wel of niet bereid verklaart, bijv. bij een schouderophalen na een gerichte vraag van de rechter, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De wet vereist niet dat de patiënt instemt met het verlenen van de machtiging als zodanig; daarover beslist de rechter. Voldoende, maar ook noodzakelijk voor een bereidverklaring, is dat de patiënt instemt met de door de rechter te stellen voorwaarden [9] . De praktische betekenis van dit onderscheid wordt duidelijk zodra een patiënt verklaart dat hij weliswaar bereid is tot naleving van de voorwaarden
indiende rechter een voorwaardelijke machtiging zou verlenen − naar haar aard een subsidiair standpunt −, maar primair de noodzaak van de verzochte voorwaardelijke machtiging bestrijdt (bijv. omdat hij van mening is dat hij zich ook zonder een voorwaardelijke machtiging staande kan houden). Wanneer de rechter in zo’n geval het primaire verweer verwerpt en een voorwaardelijke machtiging nodig acht, kan de rechter een voorwaardelijke machtiging verlenen, aangenomen dat overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan.
voorwaardelijkemachtiging, hoewel dat voor de patiënt meestal gunstiger is dan een onvoorwaardelijke machtiging, heeft geleid tot een wetswijziging [11] . Art. 14a lid 8 Wet Bopz [12] houdt sinds deze wetswijziging in dat de rechter een voorwaardelijke machtiging kan verlenen: (i) indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of (ii) indien redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven [13] . Over deze bepaling heeft de regering onder meer het volgende opgemerkt: