ECLI:NL:HR:2014:2924

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
9 oktober 2014
Zaaknummer
13/05775
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:63 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsaanbod in hoger beroep bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft administratieve werkzaamheden verricht voor ondernemingen van een derde partij en kreeg navorderingsaanslagen opgelegd door de Inspecteur, waarbij inkomenscorrecties werden toegepast op basis van gelden die zij beweerdelijk voor haar broer en derden hield. In de beroepsprocedure overlegde belanghebbende schriftelijke verklaringen van haar broer en de derde partij ter ondersteuning van haar stellingen.

In hoger beroep deed belanghebbende een bewijsaanbod om haar broer en de derde partij als getuigen te horen. Het hof oordeelde dat dit bewijsaanbod niet kon worden gehonoreerd omdat het onvoldoende was gespecificeerd en onduidelijk bleef wat de getuigen meer of anders konden verklaren dan reeds was gedaan in eerdere verklaringen.

De Hoge Raad overwoog dat in hoger beroep van een partij die getuigenbewijs aanbiedt verwacht mag worden dat zij concreet aangeeft op welke stellingen het bewijs betrekking heeft en, indien mogelijk, wie een verklaring kan afleggen. Indien al verklaringen zijn overgelegd, moet nader worden aangegeven wat de getuigen nog kunnen toevoegen. Het hof heeft dit oordeel feitelijk gewogen en dat is in cassatie niet toetsbaar. De overige middelen faalden eveneens, waarna het cassatieberoep ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het bewijsaanbod van belanghebbende wordt terecht gepasseerd.

Uitspraak

10 oktober 2014
Nr. 13/05775
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 15 oktober 2013, nr. BK‑12/00761;BK-12/00762;BK-12/00763, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft administratieve werkzaamheden verricht voor onder meer ondernemingen van [D].
2.1.3.
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslagen) opgelegd.
2.1.4.
De Inspecteur heeft bij de navorderingsaanslagen bedragen in het inkomen van belanghebbende begrepen die betrekking hebben op gelden die zij beweerdelijk voor haar broer in bewaring hield en op gelden die belanghebbende van [D] en andere opdrachtgevers heeft ontvangen. In geschil is of de Inspecteur deze inkomenscorrecties terecht heeft aangebracht.
2.1.5.
In de beroepsprocedure voor de rechtbank heeft belanghebbende schriftelijke verklaringen overgelegd van haar broer en [D]. Zij wenste daarmee te bewijzen dat zij van haar broer gelden ter bewaarneming heeft ontvangen, respectievelijk van derden gelden kreeg die voor [D] waren bestemd en ten behoeve van deze werden ontvangen.
2.1.6.
In hoger beroep heeft belanghebbende een bewijsaanbod gedaan. Dat aanbod bestond in het horen van haar broer en [D] als getuigen.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het aan het bewijsaanbod voorbijgaat omdat het niet dan wel onvoldoende is gespecificeerd en onduidelijk is gebleven wat de broer van belanghebbende en [D] als getuigen kunnen toevoegen aan hetgeen reeds mondeling en schriftelijk is verklaard.
2.3.1.
Het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte aan het bewijsaanbod van belanghebbende voorbij is gegaan.
2.3.2.
In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van de als getuigen aangeboden personen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (zie HR 9 juli 2004, nr. C03/079HR, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270).
2.3.3. ’
s Hofs oordeel dat onduidelijk is gebleven wat belanghebbendes broer en [D] als getuigen kunnen toevoegen aan hetgeen reeds mondeling en schriftelijk is verklaard, is feitelijk van aard en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. ’s Hofs kennelijk daarop voortbouwende oordeel dat het bewijsaanbod niet dan wel onvoldoende is gespecificeerd, geeft in het licht van het hiervoor in 2.3.2 overwogene geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering. Het eerste middel faalt.
2.4.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.