ECLI:NL:HR:2014:2936

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
14/03378
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 288 lid 3 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule in faillissementswet

In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam had eerder eveneens het verzoek afgewezen. De verzoekers wensten gebruik te maken van de schuldsaneringsregeling, maar het hof oordeelde dat toepassing van de regeling op grond van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro niet passend was.

De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest bevestigt de mogelijkheid om op grond van de hardheidsclausule in de Faillissementswet een verzoek tot schuldsanering af te wijzen. De Hoge Raad benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van dergelijke verzoeken en bevestigt de discretionaire bevoegdheid van de lagere rechter in dit kader.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling blijft afgewezen.

Uitspraak

10 oktober 2014
Eerste Kamer
nr. 14/03378
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoekster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaken C/10/438917/FT EA 13/02820 en C/10/438915/FT EA 13/2819 van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014;
b. het arrest in de zaak 200.145.492/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 oktober 2014.