Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam had eerder eveneens het verzoek afgewezen. De verzoekers wensten gebruik te maken van de schuldsaneringsregeling, maar het hof oordeelde dat toepassing van de regeling op grond van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro niet passend was.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest bevestigt de mogelijkheid om op grond van de hardheidsclausule in de Faillissementswet een verzoek tot schuldsanering af te wijzen. De Hoge Raad benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van dergelijke verzoeken en bevestigt de discretionaire bevoegdheid van de lagere rechter in dit kader.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling blijft afgewezen.