Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad onderzocht of het voorschrift van artikel 51 Sv Pro, dat vereist dat een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman wordt gezonden, was nageleefd.
Uit de stukken bleek dat een raadsvrouwe aan de verdachte was toegevoegd, maar dat niet kon worden vastgesteld dat zij een afschrift van de dagvaarding had ontvangen. Ook was de verdachte noch zijn raadsvrouwe verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro van groot belang is voor de verdediging en dat het ernstige vermoeden bestond dat dit voorschrift niet was nageleefd. Dit leidde tot de conclusie dat het vonnis niet geldig kon worden behandeld zonder aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof is vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 Sv en de zaak is verwezen voor nieuwe berechting.