ECLI:NL:PHR:2013:2503

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2013
Publicatiedatum
11 februari 2014
Zaaknummer
12/00283
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 38 SvArt. 39 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving betekening dagvaarding en toevoeging raadsman in hoger beroep

In deze zaak stond centraal de vraag of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend en of de verdachte in hoger beroep adequaat was bijgestaan door een raadsman. De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De verdediging stelde dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend en dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro omtrent toevoeging van een raadsman niet was nageleefd.

De Hoge Raad onderzocht de stukken en constateerde dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze was uitgereikt aan de griffier nadat de woonplaats van de verdachte niet bekend was, en dat het hof daarom terecht oordeelde dat de betekening correct was. Dit verweer faalde.

Echter, ten aanzien van de toevoeging van een raadsman in hoger beroep bleek uit de stukken en het proces-verbaal dat noch de verdachte noch diens raadsvrouw bij de terechtzitting aanwezig waren, en dat niet was voldaan aan het voorschrift van art. 51 Sv Pro. Er was een last tot toevoeging, maar geen bewijs dat de raadsman op de hoogte was gesteld van de dagvaarding. Dit leidde tot het ernstige vermoeden van niet-naleving van het voorschrift, wat de geldige behandeling van de zaak in hoger beroep in de weg staat.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van het voorschrift omtrent toevoeging van een raadsman en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 12/00283
Zitting 3 december 2013
Mr. Jörg
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 13 mei 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens de verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
4. Bij de stukken van het geding bevinden zich:
(i) een akte rechtsmiddel van 22 juli 2010, inhoudende als adres van de verdachte: [a-straat 1] te Apeldoorn;
(ii) een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) van 30 maart 2011, inhoudende dat verdachte niet gedetineerd is en dat vanaf 26 oktober 2010 in het GBA geen adres van hem bekend is;
(iii) een akte van uitreiking, inhoudende dat de appeldagvaarding op 30 maart 2011 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;
(iv) een akte van uitreiking, inhoudende dat op 4 april 2011 vergeefs is getracht de appeldagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] te Apeldoorn, waarna op 27 april de appeldagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en op dezelfde dag door een medewerker van het ressortsparket een afschrift van de appeldagvaarding naar het bij het instellen van het rechtsmiddel namens de verdachte opgegeven adres [a-straat 1] te Apeldoorn is verzonden; [1]
(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, inhoudende de mededeling van de oudste raadsheer dat de betekening niet in persoon is geschied, maar dat het een correcte betekening betreft.
5. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 2°, Sv wordt, indien de verdachte niet in de GBA staat ingeschreven, de dagvaarding uitgereikt aan diens woon- of verblijfsplaats. Ingeval van vergeefse aanbieding op dit adres, wordt de dagvaarding aan de griffier van de rechtbank uitgereikt en - met analogische toepassing van art. 588, derde lid sub c, Sv - onverwijld als gewone brief aan het woon- of verblijfadres van de verdachte gezonden. Daarbij behoeft niet opnieuw de GBA te worden geraadpleegd (HR 12 maart 2002, NJ 2002/317 m.nt. Schalken).
6. Uit de hierboven onder 4 (ii) en (iv) genoemde stukken blijkt dat de uitreiking van de appeldagvaarding (bij de tweede poging) op de juiste wijze is geschied. Het oordeel van het Hof dat het een correcte betekening betreft is dan ook juist.
7. Het middel faalt.
8. Het
tweede middelbehelst de klacht dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd.
9. Bij de stukken van het geding bevindt zich een (ongetekende) last tot toevoeging inhoudende dat de voorzitter van het Hof op vordering van de advocaat-generaal van 30 juli 2010 in de onderhavige zaak aan de verdachte toevoegt mr. M. Grinwis-Veldman. Deze raadsvrouw heeft de verdachte in eerste aanleg bijgestaan. Navraag bij de Raad voor Rechtsbijstand leert evenwel dat de verdachte in hoger beroep geen toegevoegd raadsman had. Bij de stukken bevindt zich voorts een dubbel van de appeldagvaarding d.d. 30 maart 2011, die ongeadresseerd is en vermeldt: “Geen advocaat”.
10. De steller van het middel heeft een kopie overgelegd van een fax van mr. Grinwis-Veldman aan het “frontoffice van het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem" (met een Arnhems faxnummer) d.d. 14 september 2010, waarin zij meedeelt dat de verdachte het op prijs stelt zich ook in appel door haar te laten bijstaan en waarin zij verzoekt de zitting in de onderhavige zaak niet eerder te plannen dan in april 2011.
11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar noch de verdachte noch een raadsvrouw of -man is verschenen. Uit geen enkel aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de afzender van bovenbedoelde fax is gezonden, of aan een andere advocaat. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal of het arrest dat het Hof heeft onderzocht of mr. Grinwis-Veldman een afschrift heeft ontvangen en derhalve mocht worden geacht op de hoogte te zijn van de zitting.
12. Voorop staat het volgende. Art. 38, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als de betreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig schriftelijk kennis aan de griffier of, als de officier van justitie nog niet in de zaak betrokken is, aan de betrokken hulpofficier. Deze regeling moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:BY4303).
13. De fax van de raadsvrouw kan worden beschouwd als bevattende een mededeling omtrent gekozen rechtsbijstand. Uit al het voorgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de appeldagvaarding het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd.
14. Het middel is dus terecht voorgesteld.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend A-G

Voetnoten

1.Het heeft er alles van dat de steller van het middel dit tekstblok onder aan de tweede pagina van de akte over het hoofd heeft gezien.