ECLI:NL:HR:2014:3006

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2014
Publicatiedatum
17 oktober 2014
Zaaknummer
13/05445
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak inzake naheffingsaanslag omzetbelasting 2006-2008

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008. Na een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof deed op 17 september 2013 uitspraak, waartegen belanghebbende cassatieberoep instelde bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld en geconcludeerd dat de ingebrachte klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Hierbij werd overwogen dat de klachten niet de beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad gewezen en op 17 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken, waarmee het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard en het arrest van het hof werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

17 oktober 2014
nr. 13/05445
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] vofte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 17 september 2013, nr. 12/00113, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 10/3267) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.