Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
28 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1987, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2013. De Hoge Raad ontving een middel van cassatie namens de verdachte, maar oordeelde dat dit middel niet tot cassatie kon leiden en geen nadere motivering behoefde.
Ambtshalve beoordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van zes jaren naar vijf jaren en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 28 oktober 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaren naar vijf jaren en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.