Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het zevende middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij werd veroordeeld voor voorbereiding van moord. De kern van het geschil betrof de vraag of de bewezenverklaring van voorbereiding van moord voldoende was gemotiveerd, met name of dezelfde motiveringsvereisten gelden als bij de bewezenverklaring van voorbedachte raad bij moord.
De Hoge Raad herhaalde zijn eerdere rechtspraak en oordeelde dat het onjuist is om aan de bewezenverklaring van voorbereiding van moord dezelfde motiveringsvereisten te stellen als aan die van voorbedachte raad bij moord. Wel moeten aan het bewijs van het bestemd zijn tot moord bepaalde eisen worden gesteld, vooral vanwege het strafverzwarende karakter van voorbereiding van moord ten opzichte van voorbereiding van doodslag.
Het hof had geoordeeld dat verdachte zich, gelet op zijn eerdere veroordelingen en het samenstel van aangetroffen wapens, munitie en beschermende kleding, voorbereidde op een gewapende overval waarbij dodelijke slachtoffers konden vallen. Dit oordeel was voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verwierp dan ook de klacht over de motivering van de bewezenverklaring.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase, waardoor de opgelegde gevangenisstraf moest worden verminderd van tien jaar en zes maanden tot tien jaar. De overige middelen werden verworpen en de Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de strafoplegging en vermindert de gevangenisstraf tot tien jaar.