Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3 Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene heeft een advocaat een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft echter geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
De Hoge Raad beoordeelt dat het ingediende middel niet voldoet aan de vereisten van een middel van cassatie, omdat het geen duidelijke en stellige klacht bevat over schending van rechtsregels of vormvoorschriften. Bovendien is niet voldaan aan het voorschrift dat middelen van cassatie binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman moeten worden ingediend.
Daarom verklaart de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 4 november 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.