In deze zaak gaat het om de waardebepaling van een onroerende zaak die door de Provincie Zuid-Holland onteigend is voor de aanleg van een omleidingsweg (N219). De onteigende grond was oorspronkelijk agrarisch en kreeg in het bestemmingsplan 'Omleidingsweg N219' de bestemming verkeersdoeleinden. De eisers stelden dat de waarde van het onteigende mede bepaald moest worden door de verwachting dat de bestemming van omringende gronden zou wijzigen naar woongebied, wat een hogere waarde zou rechtvaardigen.
De rechtbank had de schadeloosstelling vastgesteld op basis van agrarische gebruiksmogelijkheden zonder rekening te houden met een mogelijke toekomstige bestemmingswijziging. Het hof bevestigde dit oordeel en wees de claim van de eisers af, stellende dat het onteigende los van omringende gronden moest worden gewaardeerd en dat geen rekening mocht worden gehouden met een toekomstige woonbestemming.
De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat de waarde van het onteigende mede bepaald kan worden door een voldoende reële verwachting over een bestemmingswijziging van omringende of aanliggende gronden, ook als het onteigende geen onderdeel is van een complex. Het hof had dit miskend door deze verwachtingen buiten beschouwing te laten. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof Amsterdam.
Daarnaast verklaarde de Hoge Raad de eisers niet-ontvankelijk voor het cassatieberoep tegen het tussenarrest van het hof en veroordeelde de Provincie in de kosten van het cassatiegeding.